Een Surinameverslag

Vertrek 7 okt. 2004

'We', dat zijn Fille , Jose en Jozef vertrekken op7 oktober 2004 samen op verkenning naar Suriname Als enige Vlaams gezelschap verkeren wij in een speciale, bijna bevoorrechte positie. Aan de ene kant is het hier voor ons als Nederlandstaligen een feest van herkenning, aan de andere kant is het niet ons koloniaal verleden waarmee ik hier om de oren geslagen word. Onze skeletten zitten in een andere kast...We worden er de pioniers van Vlaanderen genoemd.

Een wandeling door Paramaribo zet je voortdurend op het verkeerde been : nu eens geven de withouten koloniale huizen met veranda's je de indruk dat je in de Caraïben bent, een paar meter verder zou je zweren dat je ergens in Indonesië gekatapulteerd bent.

En waar anders staat de moskee pal - en alsnog probleemloos - naast de synagoge, op spuugafstand van de kathedraal bovendien ? Nog geen half miljoen zielen telt de bevolking van dit uitgestrekte land in het noordoosten van Latijns-Amerika, maar wie op zaterdagmorgen door de Domineestraat kuiert, waant zich op een bijeenkomst van de Verenigde Naties. Niet dat de afstammelingen van indianen, Afrikanen, Europeanen, joden, Chinezen, Hindoestanen, Javanen, Libanezen en Brazilianen geen vooroordelen tegenover elkaar zouden koesteren.

"Maar omdat we met zo weinig zijn, zijn we op elkaar aangewezen",zegt onze gids. Of zoals een populair spreekwoord het uitdrukt : "Als je in het water leeft, hou je de krokodil beter te vriend." En zo komt het dat je hier op straat gezichten ziet, die je onmogelijk kunt plaatsen. Samen vormen al die halfbloeden een etnische tuttifrutti waarin de hele wereld vertegenwoordigd is.

"Hoe wij hier ook samen kwamen", zingen de Surinamers in hun volkslied. Tja, hoe ze daar kwamen, dat is een heel verhaal. De meesten kwamen per zeilschip : Spanjaarden, Engelsen en Nederlanders. Van Fort Zeelandia, het oudste en meest kenmerkende gebouw in Paramaribo, werd de eerste steen gelegd door de Engelsen, maar in 1667 werd het veroverd door de Nederlanders.

In datzelfde jaar vond bij de Vrede van Breda een merkwaardige ruilhandel plaats : de Hollanders kregen Suriname, de Engelsen Nieuw Amsterdam, het latere New York. De indianen waren er natuurlijk allang, zij zijn de enige echte autochtonen. Kent u dat zinnetje uit oude geschiedenisboeken ?

"Omdat de indianen niet sterk genoeg waren om op de plantages te werken, voerden de blanken zwarte slaven in." Wat die boekjes er vaak niet bij vertelden, was dat de indianen toen al gedecimeerd waren door de ziekten die door de eerste kolonisten in de Nieuwe Wereld ingevoerd waren.
De Saramaka stammen af van
Marrons, gevluchte plantageslaven.

De uitwassen van de koloniale tijd, daar kan elke Surinamer wel een paar gruwelverhalen over vertellen. Neem nu het hoekhuis van het Onafhankelijkheidsplein, één van de mooiste panden van de historische binnenstad.

Daar woonde tot 1783 'het helsche beest' Susanna du Plessis, eigenares van plantage Nijd en Spijt, die door haar wreedheid hét symbool werd van de gewelddadige onderdrukking van de slaven. Waarop Susanna een van de borsten liet afsnijden en ze haar echtgenoot aan tafel serveerde : "Hier, die vond je toch zo lekker..." Geen wonder dat veel slaven de plantages ontvluchtten. Afstammelingen van die zogenaamde marrons leven nu nog altijd in het Surinaamse binnenland.

Nergens zijn de rokjes korter en de
topjes kleiner dan bij de creoolse meisjes

Op de hoek van de Zwartenhovenbrugstraat en de Dr. Sophie Redmondstraat staat het standbeeld van een bevrijde slaaf, Kwakoe of Woensdag, waar ieder jaar op 1 juli de afschaffing van de slavernij in 1863 herdacht wordt. Officieel heet dat nationale feest de Dag der vrijheden, maar onder creolen staat hij bekend als Keti Koto, verbroken ketenen.

Bij de oever van de Surinamerivier herinnert een ander beeld, dat van Baba en Mai, aan de plek waar na de afschaffing van slavernij de eerste Hindoestaanse contractarbeiders voet aan wal zetten. Voor alle zekerheid waren er eerder al Chinezen geronseld en later volgden Javanen. Zo heeft elke bevolkingsgroep hier zijn eigen herdenkingsfeesten en zijn eigen gevoeligheden.

Op de Centrale Markt, een feest van geur en kleur, krioelt iedereen door elkaar, maar terwijl Hindoes, Chinezen en Javanen zich graag laten fotograferen, word je door creolen en bosnegers op kijven en schelden onthaald zodra je een camera bovenhaalt. Geen probleem, dan doen we die toch gewoon weg.

Op zaterdagmorgen lijkt het alsof heel Paramaribo elkaar rendez-vous geeft in de Domineestraat. 'Een kick nemen' heet dat hier, wat betekent dat je je in je mooiste outfit stort en door de drukke winkelstraat paradeert of op het terras van The Zeeland een sapje of Parbo-bier drinkt. Kijken en bekeken worden, daar draait het hier om.

Mannen met dikke gouden kettingen om de hals leunen tegen de gevels en keuren de waar. Je kunt ze geen ongelijk geven : nergens zijn de rokjes korter en de topjes kleiner dan bij de mooie creoolse meisjes. De laatste modetrend ? Een soort duivenmelkerpet, maar dan in rode of fuchsia angorawol.

Albina, een levendig, wat louche grensstadje
met een voorliefde voor zangvogelsport

Binnenland

Maar het zou jammer zijn om je niet buiten Paramaribo te wagen.
Wie meer over de koloniale tijd te weten wil komen, kan met een boot langs de oude plantages aan de Commewijnerivier varen, langs fort Nieuw Amsterdam, Mariënburg en het prachtig gerestaureerde Frederiksdorp, waar je in de voormalige planterswoningen kunt verblijven.

Ruim tachtig procent van Suriname bestaat uit maagdelijk oerwoud, een paradijs voor natuurliefhebbers. Geen wonder dat het ecotoerisme hier steeds meer aan belang wint. Met een minibusje gaat het over de zogenaamde 'wasbordweg' vol gaten, bobbels en diepe plassen naar natuurpark Brownsberg.


Onderweg passeren we eenzame bosnegerdorpjes, niet meer dan een paar hutjes en een enkele rookpluim in het groen. Of een bordje met een pijl, naar de woonst van een 'familie Dankbaar'. De Brownsberg, sinds 1969 beheerd door Stinasu (Stichting Natuurbehoud Suriname) gaat prat op 1450 plantensoorten, waarvan twaalf nergens anders ter wereld gevonden worden.

'Hier toeteren' heet het op de kronkelende toegangsweg tot het hoofdkwartier met de logeergebouwen, maar later, tijdens de afdaling naar Leo's val, is er alleen het geluid van brulapen en trompetvogels. Die houden zich angstvallig schuil, evenals de jaguars en poema's die hier huizen.


Jaw Jaw ligt op de bovenloop van de Surinamerivier en is enkel bereikbaar per korjaal, een slanke boot gemaakt uit boomstammen. Zo'n boottocht is een hele onderneming, want alle proviand voor een verblijf in het binnenland wordt uit Paramaribo in koelboxen meegevoerd.

De Boven-Suriname is het woongebied van de Saramaka, een van de grootste marrongemeenschappen van Suriname. Aan het hoofd van elk dorp staat een kapitein, geassisteerd door een waarnemer, zich zeer bewust van zijn waardigheid, ook als zijn outfit uit een korte broek en een badlaken bestaat.

En nee, de dorpsbewoners laten niet met zich sollen. Ze zijn net iets te vaak gefotografeerd door toeristen die het vertikken de beloofde foto's op te sturen. Oude vrouwen met grote bassins vol vaatwerk op hun hoofd bedekken hun blote borsten als ze ons in het vizier krijgen en als ze bij de steiger net aan de afwas zijn, kunnen we daar niet aanleggen.


Alleen de kinderen vinden het heerlijk om op de foto te gaan en meteen daarna het resultaat te bewonderen. Weelde hebben ze hier niet, dat is duidelijk, maar er is een schooltje en een dispensarium en eens we het vertrouwen van de juffrouw hebben, scandeert het kleine grut enthousiast een versje over 'mijn mondje'. In vlekkeloos Nederlands uiteraard.

Naar de Indianen (dit had plaats met de groep van 24 feb.2005)

Vóór de Binnenlandse Oorlog van de late jaren tachtig, waarbij het militaire gezag van Desi Bouterse af te rekenen kreeg met de guerrilla van zijn voormalige lijfwacht Ronnie Brunswijk, was Albina een lieflijk badplaatsje aan de Marowijnerivier.

Totaal platgeschoten en -gebrand tijdens de oorlog, is het nu een kleurrijk maar wat louche grensstadje, de uitvalsbasis voor goudzoekers, smokkelaars en... toeristen die naar Galibi gaan om de broedplaatsen van reuzenschildpadden te bezoeken. Aan de overkant van de Marowijne, pal tegenover Albina, ligt Saint-Laurent-du-Maroni in Frans-Guyana, waar ooit de roemruchte gangster Papillon in de gevangenis zat en even Frans van karakter als een pastis naast een pakje Gauloises.

Vanuit Albina gaat het met de korjaal stroomafwaarts. Bij de monding van de Marowijne liggen twee bij elkaar aansluitende indianendorpen, Christiaankondre en Langamankondre die samen het gebied Galibi vormen. De zandstranden zijn schaars in Suriname en de indianen hebben op tijd ingezien dat ze van levensbelang zijn.


Dezelfde mensen die vroeger de schildpaddeneieren roofden, staan nu in voor de bescherming van het natuurgebied waar tussen midden februari en eind juli vanuit de zeven wereldzeeën leatherbacks en krapés aan land komen.

De inheemsen zijn hier bijzonder goed georganiseerd : ze hebben zich met succes verzet tegen het doortrekken van de weg vanuit Albina zodat het oorspronkelijke karakter van het gebied en de broedplaatsen gevrijwaard blijven. Bovendien hebben ze coöperatieven opgericht, die bijvoorbeeld de visserij en de handel met het zusterdorp aan de Franse kant regelen.

Een luiaard, het sloomste en beminnelijkst kijkende zoogdier

Er is ook een vrouwencoöperatieve die juwelen van schelpen, zaden en kralen verkoopt. Een wandeling door Galibi is een feest van geuren. Versgebakken cassavebrood, op voorouderlijke wijze gerookte vis, pepre watra, vissoep met rode peper.

Maar het echte leven begint in Galibi pas na middernacht, op een smalle strandstrook, bij flarden maanlicht tussen de voorbijrazende wolken. Een enorm gevaarte ploegt met haar voorvinnen door het zand zodat er een grote, ronde kuil ontstaat. Er loopt vocht uit haar ogen, je zou zweren dat ze huilt. Af en toe ontsnapt een amechtig gesteun uit het enorme, lederachtige schild.

Wij pottenkijkers voelen ons gegeneerd, alsof we ongeïnviteerd een verloskamer binnengeslopen zijn. "Zo meteen begin ik mee te puffen",. Maar de gigantische leatherback negeert ons volkomen, dit is een prehistorisch ritueel waar wij niets mee te maken hebben.

Na een half uur zwoegen, vouwt ze haar achtervinnen over de kom. Een van de rangers licht bij met een zaklamp : daar komen de eieren , vochtig glimmend, sommige ter grootte van een pingpongbal, andere groter. Alles bij elkaar zeker vijftig.

Daarna begint het even moeizame proces van het toedekken van het legsel, gevolgd door het graven van een ondiepe nep-legkom en een soort dronken gezwalp over het strand om de sporen uit te wissen. We turen ingespannen in het duister, tot het enorme schild uiteindelijk in de aanzwellende golven verdwijnt. Wat een spektakel, wat een adembenemende ervaring !

Maar nog is het niet voorbij, want ineens begint het strand te bewegen. Krabben, denk ik eerst. Maar nee, het zijn minuscule schildpadjes van een vorig legsel die zich uit het zand loswurmen en aan hun race naar het water beginnen. Naar schatting driekwart miljoen rennen er zo jaarlijks de zee tegemoet. Bitter weinig overleven het.

Maar na tien jaar zijn de vrouwtjes geslachtsrijp en leggen ze, gestuurd door hun onfeilbaar instinct, duizenden kilometers af om hier hun eieren te leggen. Op hun eigen geboorteplaats, een smalle kuststrook in Suriname...

Deze verslaggeving wordt verder gezet bij volgende bezoeken aan Suriname, of wanneer deelnemers hun belevenissen op papier willen zetten; Daarom is het aan te raden dat je regelmatig onze website raadpleegt, ook wat de fotoalbum betreft