Suriname: een land om lief te hebben…
Reisverslag van november 2005

Een vlotte treinverbinding tot Schiphol en een zachte KLM vlucht van 9 uren (en van zalig lezen…) brengt ons naar Suriname, hier minder goed bekend als vakantiebestemming. Aan de linkerzijde Engelstalig Guyana, aan de rechterzijde Franstalig Frans Guinée met daartussenin het Nederlandstalig Suriname: is dat wel het verkennen waard?
Al vlug blijkt hoe inspirerend dit land wel is. Bij de landing springt het overvloedig groen in het oog, amper onderbroken door een weg of rivier.
Op de rit naar Paramaribo ontdekken we reeds de grote invloed van Chinese Surinamers: zij zijn eigenaar van de vele Supermarktjes, Superbazars, superettes en handelspostjes langs de baan tot het centrum.
Al de eerste dag maken we op de markt kennis met de multiculturele samenleving van Paramaribo. We ontwaren er indianen, de oorspronkelijke bewoners, en negers nakomelingen uit de periode van de slavenhandel, maar ook Chinezen, Japanners, Hindoes, Indiërs, Indonesiërs en Javanen, afstammelingen van de contractarbeiders die na het afschaffen van de slavenhandel werden aangetrokken om de citrusplantages te bemannen. Een echte mengelmoes van rassen, kleuren en vormen die moeiteloos vermengen en integreren.
De stad kent trouwens geen etnische wijken of getto’s, de rassen leven er gemengd, blijkbaar als gevolg van het gemeenschappelijk taalgebruik: het Nederlands. Het geeft een eerste goed gevoel van samenhorigheid. Die samenhorigheid bestaat ook in onze kleine groep van één vrouw en acht mannen. We voelen ons al vlug thuis…
Hotel Krasnapolsky in de middenstad is een ideale uitvalsbasis om de stad verder te verkennen: de mooie nostalgische houten herenwoningen en handelspanden uit de koloniale periode, met oerechte Nederlandse straatnamen zoals De Kromme Elleboogstraat in de oude stad, langs het waterfront gelegen, en waar het heerlijk is om van een Parbobier te proeven, evenwaardig aan ons goed Belgisch bier.
Na onze verkenning biedt het zwembad op de tweede verdieping van het hotel de nodige afkoeling bij warme vochtige temperaturen, die gelukkig vrij vlug gewennen.

Maar het binnenland lokt, en na een tocht met een minibus langs de kuststreek stappen we over in een prauw en bezoeken verderop een vroegere lepra-missiepost van Pater Donkers. We genieten nadien van een gevarieerde pic-nic in de prauw tijdens de urenlange tocht binnenwaarts, waarbij de oevers steeds dichterbij komen en de overgang van laaggewas naar struikgewas en daarna regenwoud zichtbaar wordt. Het is pikdonker wanneer we in Donderskamp aankomen waarbij de een het gevoel beschrijft van een verstijfd zitvlak, en een ander het gevoel kreeg van een bijrivier van de Amazone te zijn opgevaren. Wat trouwens niet zo verwonderlijk is, we zitten hier in de uitlopers van de regenwouden van het Amazonegebied dat vanuit Brazilië doorloopt tot diep in Suriname.

Na een wat onwennige nacht in primitief opgemaakte slaapvertrekken, of buiten in een hangmat, maken we de volgende morgen kennis met het plaatselijk Dorpshoofd en met enkele notabelen. En we verkennen de onmiddellijke omgeving: indianenwoningen met daken van golfplaten en met lemen wanden in plaats van de traditionele hutten, primitieve electriciteitsleidingen en TV in de binnenvertrekken: een dorp in beweging…
We vernemen dat enkele bewoners de nederzetting een meer toeristisch karakter willen geven. Wij zijn de eerste toeristen die hun dorp in groep bezoeken.De eer om mee het nieuwe toeristenverblijf in te huldigen kwam ons toe. Wij doopten het met de naam”Morgenster”, natuurlijk met de nodige rituelen van de indianen. Het werd een onvergetelijke avond. Maar alles gebeurt op het ritme van Suriname en de materialen moeten nog worden aangevoerd vanuit Paramaribo, het wordt dus nog uitkijken wat het later wordt…
We maken de volgende dagen gretig kennis met enkele inwoners, wandelen door het dorp, verkennen de dorpsschool, volgen een gedeelte van de mis in de houten kerk, bezoeken de kostgronden (afgebrand regenwoud dat voedingsbodem wordt voor knolgewassen en enkele groentesoorten) en volgen de gids met machete in het regenwoud. ’s Morgens wassen we ons en baden in de rivier waarin kleine piranha’s rondzwemmen: spannend maar ongevaarlijk!

Daarna vertrekken we op de “airstrip” nabij het dorp met een korte binnenvlucht naar het dieper gelegen Jaw-Jaw: een meer toeristische nederzetting van bosnegers (Creolen en afstammelingen van in het woud gevluchte negers tijdens de slavenhandel)
Hier geen plaatstaal of golfplaten. Enkel authentieke hutten, waarvan sommige wat mooier aangekleed. We verblijven in lage hutten, enkel voorzien van lage bedden overtrokken met een muskietennet. We ondervinden totnogtoe geen enkele last van muggen of muskieten, ondanks het tropisch klimaat, waarvan wij evenmin veel last ondervinden dankzij de liters water die we dagelijks opdrinken en de talrijke roze pompelmoezen waarvan het heerlijke sap en het wat knapperig vruchtvlees bijzonder lekker smaken…
Ook hier berichten wij onze aankomst aan het Dorpshoofd, bezoeken het dorp en het omliggende, ontdekken in het regenwoud waterrijke planten, bijzonder stekelige stammen, kleurrijke vruchten…
’s Avonds zorgt een luidruchtige elektrische groep voor wat verlichting van de toegangswegen en de binnenplaatsen van het dorp. Zelf behelpen we ons met een petroleumlamp voor de deur van de hut.
’s Morgens worden we wakker van het gejoel van kinderen die in de wat lager gelegen rivier baden, en zien we heupwiegende mollige negerinnen met goed gevulde schotels op het hoofd de rivierbedding afdalen naar hun traditionele wasplaatsen in de rivier. We genieten van de sfeer nabij het water, van de spontane nieuwsgierigheid van de negerjongens en meisjes en van de tamtam muziek van een groepje gitzwarte honky-tonkers die later enkele dansende negerparen begeleiden.
Vooraleer Jaw-Jaw te verlaten verkennen we een nabijgelegen vakantieoord met mooi aangelegde tuinen en aanplantingen, en liggen languit te genieten van de warme stroomversnellingen in de rivier.

Een paar dagen later voert een korte prauwtocht ons van het dorp tot het eindpunt van de enige weg die naar Paramaribo leidt. We klimmen in een stofferige minibus en rijden uren over de rode weinig verharde hobbelweg door het woud en de bossen die rood kleuren van al het stof, waarvan wij op het einde van de rit rosse haren en kleurige bagage overhouden.
Op de middag maken we een omweg langs de dertig kilometer verder gelegen Brownsberg: een ecologisch natuurreservaat op een hoger plateau gelegen van waaruit we tot de voet van een van de enkele watervallen wandelen, of liever klimmen en afdalen… en waar we onze ogen uitkijken op de prachtige grote blauwe vlinders die ons vergezellen.
Tijdens de terugrit naar Paramaribo komen we langs de enige grote fabriek die Suriname rijk is: een bauxietwinning, nodig voor de productie van aluminium, waar ongeveer vijfduizend werknemers bij betrokken zijn. Het nachtleven van Paramaribo spreekt ons op het einde van die dag niet meer aan…

De volgende dagen verkennen wij op eigen houtje de stad met haar typische straten en pleinen, lopen nog eens door de volledig houten kathedraal, slenteren door de palmentuin, bezoeken een tentoonstelling van de academie en genieten van de première van een zang- en dansproductie in het stadstheater. Maar bovenal genieten we van de Srefedensi onafhankelijkheidsfeesten die twee opeenvolgende dagen de stad kleuren en verlevendigen: een cacafonie van geluiden en een onophoudende kleurrijke optocht van allerlei rassen en standen waarbij onze camera doorlopend in de aanslag blijft. En als slot een meer dan een uur durend feëriek vuurwerk langs de waterkant, ingezet door het laag overvliegen van de enige Jumbo die Suriname Airways rijk is…

Voor we het goed beseffen zitten we in onze volgende binnenlandse vlucht naar het dieper gelegen Palumeu, en genieten onderweg van het prachtig broccolidak van het regenwoud, enkel af en toe onderbroken door een rivier of een illegale plek voor goudzoekers.
Na een perfecte vlucht en landing op de airstrip begroeten we het indianen dorpshoofd en de notabelen, die we later in de namiddag van meer nabij leren kennen. We proeven er ook hun typisch brood en brouwsel: wat droog en wat rinsachtig, maar best te verteren…
Onze slaapvertrekken zijn aan de waterkant gelegen, met een terrasvloer vooraan en met eigen sanitair en douche: een eenvoudige maar gewaardeerde luxe. Hier in het donker geen geluid van elektrische groepen. Enkel de stilte van het woud met het licht ruisen van de wind in de boomkruinen en over het water. Verlichting is er enkel heel schaars in de gemeenschappelijke afzonderlijk gelegen eetruimte, met lampen gevoed door zonnebatterijen waarop ook de koelkasten zijn aangesloten waarin al ons aangevoerd proviand wordt bewaard.
‘s Morgens worden we wakker van het geschreeuw van de brulapen, genieten ondertussen van een heerlijke verse tas koffie of thee die op het terras werd neergezet, en kijken geboeid naar de opkomende zon door de boomkruinen en in het water.. Af en toe komt een prauw langs met een paar indianen op zoek naar voedsel dat ze gemakkelijk in de nabijheid vinden: knolgewassen, groenten, apen- en bosvarkenvlees, maar vooral veel vis die met een kleine boog met pijl en koord moeiteloos vanuit hun prauw wordt beschoten.
Palumeu verkennen we terug met een gids, die ons ook begeleidt in een dagtocht door het regenwoud tot een hoger gelegen rotspartij op enkele uren wandelafstand. Bovenop de rots krijgen we een mooi zicht op de rondliggende bergheuvels aan de einder. Bij het terugkeren kapt de gids met de machete een omweg rond een wespennest dat ons in de voormiddag onverwacht wat hinder bezorgde, en markeert met enkele stekelige palmbladen deze gevaarlijke plaats. Op een paar aapjes na was er geen wild te bespeuren, wat niemand betreurde.
We nemen deel aan de ochtend-vlaggegroet van de schoolkinderen, die pas sinds het jaar 2000 taalonderricht ontvangen op vraag van de indianen zelf. Schoolgaan is niet verplicht, en jongeren zijn vanaf zeven jaar volledig zelfstandig en kunnen moeiteloos overleven in het woud. Schoolbenodigdheden zijn altijd welkom: boekjes, schriftjes, schrijfgerief, tekengerief…. We hadden spijt dat we daar bij ons vertrek niet aan gedacht hadden!
We verkennen de rivier met de prauw, varen een zijrivier op en belanden aan een rotspartij waar we niet kunnen weerstaan aan de warme stroomversnellingen. Een ter plaatse ingerichte barbecue smaakt daarna dubbel zo goed, en nagenieten doen we in de door helpers inmiddels vastgeknoopte hangmatten tussen de bomen op de bergflank.
Eerder dan ons lief is volgt de terugvlucht, na een kort afscheid bij de souvenirhut van de indianen.

De overige dagen in Paramaribo benutten we om de wijdere omgeving en de Commewijnerivier te verkennen, met het bezoek van een grote citrus- en pompelmoezenplantage, nu te koop ingevolge een gebrek aan voldoende goedkope arbeidskrachten… De simpele plantagewoningen liggen er wat troosteloos bij.
We verkennen ook nog een oude koffieplantage met mooie houten beschilderde directiewoningen die nu als verblijfshotel dienst doen, genieten er van de kleurrijke omgeving, en belanden later op het museumterrein rond de gevangeniscomplexen uit de tijd van de slavenhandel.
Op een andere dag maken we kennis met het recreatieoord Colakreek van de stedelingen: een in het woud gelegen beschutte rivierbedding waar in het colakleurig maar gezond water waarin men naar hartelust kan rondzwemmen. Naast de nabijgelegen nationale luchthaven gebruiken wij het middagmaal in het Sabana vakantieoord waar de enige plensbui tijdens ons verblijf in Suriname er ons aan herinnert dat het ook in Suriname kan regenen….

We komen naar huis met het gevoel dat we drie landen hebben bezocht: het multiculturele Suriname in de kuststreek rond Paramaribo, het binnenland van Zaïre bij de bosnegers, en het binnenland van Brazilië bij de indianennederzettingen langs de rivieren, onbereikbaar langs de weg…
We houden van dit land!